Mailtje sturen? Klik op het beertje! klaske@hebgoedemoed.nl
Zoeken
Categorie

Ik wil afsluiten deze week met een meditatie van dominee Mensink. Fijne aandacht. En een fijne zondag Liefs van hier Klaske

‘Wij hebben u op de fluit gespeeld…’ – Mattheüs 11 : 17

 

Het lijkt zo’n onschuldig voorbeeld, een voorbeeld met een glimlach: kinderen die bruiloftje spelen, maar de anderen doen niet vrolijk mee. En kinderen die begrafenisje spelen, maar de anderen doen niet verdrietig mee.

Intussen is het één van de scherpste gelijkenissen van Jezus. Eén van de meest aanklagende spiegels die Hij ons voorhoudt. Want het is een vergelijking voor ‘dit geslacht’, de mensen aan wie het Woord verkondigd wordt. Dat zijn ook u, jij en ik.

 

In eerste instantie lijkt de gelijkenis te zeggen, dat de mensen onverschillig zijn gebleven onder de prediking van zowel Johannes de Doper als van de Heere Jezus. Johannes sloeg in zijn prediking de tonen van boete en bekering aan. Maar met name de Farizeeën bekeerden zich niet: zij hebben niet geweend. En toen Jezus kwam met de vreugdevolle prediking van het Koninkrijk der hemelen, toen hebben zij niet van vreugde gedanst.

We zijn geneigd de gelijkenis zo uit te leggen, omdat het zo herkenbaar is: wie laat zich door de prediking bewegen tot bekering en geloof? Bij wie vindt de prediking van wet en evangelie zodanige weerklank dat er geweend wordt over de zonden en gejuicht wordt om Christus? Hoe vaak worden we door de hel niet verschrikt en door de hemel niet verkwikt? Schrikt u ook wel eens van (uw eigen) onverschilligheid en onbewogenheid, wélke prediking ook over u uitgeroepen wordt? Of lijdt u er aan? Zeker, preken is een verantwoordelijk werk – horen is even verantwoordelijk werk.

 

Toch lezen we de gelijkenis dan toch niet helemaal goed. Want wie vergelijkt Jezus met de kinderen die op de fluit gespeeld hebben zodat anderen zouden dansen? En wie is degene die klaagliederen zingt, zodat anderen meehuilen? Dat zijn Johannes en Jezus niet, maar het zijn de scharen die door de Farizeeën en schriftgeleerden aangevoerd worden. We kennen de uitdrukking ‘naar iemands pijpen dansen’. Toen Johannes de bekering kwam profeteren, wilden de scharen dat hij een veel blijmoederiger prediking kwam brengen. Geen begrafenis-sfeer, maar een bruiloftsgast. Maar Johannes speelde het bruiloftje niet mee, integendeel: hij was in de rouw en preekte over een bijl aan de wortel van de boom. En wat zeiden de mensen (vers 18): hij heeft de duivel. In onze dagen zou van hem gezegd worden: hij is gek. De mensen hebben op de fluit gespeeld, maar Johannes heeft niet gedanst.

Toen kwam de Heere Jezus na hem. Hij kwam wél op de feesten (Kana), Hij at en dronk bij feestmaaltijden (Simon). Maar wat zeiden ze van Hém: Hij is een vraat en wijnzuiper. De mensen hebben geweend, maar Jezus zong hun klaagliederen niet mee. Hij deed precies het tegenovergestelde.

Met andere woorden: Johannes was hen te somber, en Jezus was hen te positief.

De wet was hen te eng, en het evangelie was hen te ruim! ‘Je doet het voor de mensen toch nooit goed’, hadden Johannes en Jezus ervaren. Er is een slag hoorders die het altijd beter weten. Maar die zich nog nooit door het Woord klem hebben laten zetten. Die altijd uitvluchten weten. Bij Johannes zeiden ze: ‘ja, maar…’- en bij Jezus zeiden ze het ook.

Bent u zoiemand? Of jij? Die de boodschap van de prediking altijd weet te parkeren op een vluchtstrook? Maar intussen nooit gevallen bent voor het Woord in zijn ontdekkende kracht, én in zijn reddend evangelie? Nooit ‘amen’ leren zeggen op de prediking van zonde en genade, uw ondergang en uw redding?

 

Voor zulken heeft Jezus maar één woord over: wee u (vers 20). Waar het één niet is, kan het ander ook niet zijn. Waar geen leedwezen over de zonde is, daar kan ook geen hartelijke vreugde in God door Christus zijn. Dan is er dus niets. Alleen duisternis.

 

De Heere Jezus zegt er wel iets bij (vers 19): de waarheid en de goddelijke wijsheid van het Woord wordt zichtbaar en bevestigd in haar kinderen. Dat is: in de ware gelovigen. Dat het Woord mensen onverschillig laat, is geen bewijs dat het Woord niet waar is! Let er daarom op, bij wie dat Woord wél uitwerking heeft. Want je herkent het, daar waar iemand door het Woord tot droefheid en tot vreugde gebracht wordt, als een echo op de verkondiging van wet en evangelie. ‘De tegenstand van de schriftgeleerden zal niet verhinderen dat al Gods uitverkorenen in het geloof in het evangelie volharden zullen’(Calvijn). Jezus zal later zeggen: Mijn schapen kennen Mijn stem, en volgen Mij.

Wat is het nodig dat we biddend onder de verkondiging van het Woord komen. Biddend om de overgave aan het Woord. Biddend dat we al onze verdedigingswapens zullen verliezen. Dan heeft de prediking van wet en evangelie die dubbele uitwerking: de verootmoediging onder al het kwaad dat wij bedreven, maar ook die hartelijke blijdschap vanwege het reddende evangelie. Hoogte en diepte in het geestelijke leven van onszelf en van de gemeente. Niet voor niets bidden we met de Morgenzang: Schenk Uwen zegen bij Uw Woord. Bid u het mee?

                                                                                                                                 AJM

P1070682

Geef een reactie