Archief van categorie ‘Meditatie’
“De Heer zal hen reken in het opschrijven der volken,
zeggende: Deze is aldaar geboren.”
Het kan soms vreemd lopen in de vakantieperiode. Je ziet mensen, je ontmoet
mensen die je anders nooit zou zien. Daarom wil ik als het ware een thema
formuleren boven deze meditatie:
“Vreemde ontmoetingen in de zomer…”
We zouden er haast aan voorbij lopen, aan de poort uit Ps. 87. Ja, we zien
misschien wel de grote en mooie muren, maar waarom begint deze psalm nu
met die poorten. Waarom zou de Heere meer van de poorten dan van de
huizen houden?! Laten we dan eens in de poort gaan kijken. In de poort zitten
de rechters, de oudsten, de rabbijnen. In de poort wordt recht gesproken,
de wet wordt er gelezen. De poort is de ontmoetingsplaats van de Wet, de
Profeten en de koningen. Tegelijk is het ook de berg van verheerlijking, waar
Mozes en Elia om de Messias heen staan. Het gaat om de poort!
Zullen we daar eens aan proberen te denken, als we misschien in de komende
dagen heel wat poorten zien, of onder heel wat poorten doorrijden?!
In de poort moest geboorteaangifte worden gedaan, naam voor naam werden
de kinderen opgeschreven. De Heere houdt van Zijn volk, daarom ook van
de poort, waarin de namen van Zijn volk worden opgeschreven. Heel Sion
wordt opgeschreven, waar de Wet van God klinkt!
Staat onze naam ook al in het boek van het Leven, van het Lam?! De Wet
van God blijft klinken, daar kunnen en mogen we niet omheen, maar dan
mogen we -dan moeten we- tot God roepen: wees ook mij genadig!
In de poort. En toch…
Wat een vreemde ontmoetingen kunnen er ook in de poort plaatsvinden!
Wie ontmoeten we daar zoal?! Als we goed kijken -en daarvoor moeten we
Psalm 87: 6
geoefende ogen hebben- zien we als eerste Iemand, Die we er wellicht niet
Laten we het eens proberen voor te stellen: De Heere die allerlei namen
opschrijft, allemaal mensen die Zijn verschijning hebben lief gekregen, die
niet meer zonder de Heere Jezus kunnen leven en dan gaat de Hogepriester
(en Wie is dat anders dan de Heere Jezus Zelf?!) de Naam van Zijn Vader
uitspreken! Ja, Hij gaat pleiten, voor al de Zijnen, die Hij heeft opgeschreven.
Waar wij geen verwachting van hebben, mensen die zelf alles fout doen,
maar die toch weten van hun Hogepriester, waar ze hun hoop op vestigen!
Die Hogepriester gaat pleiten, nou, dan mag inderdaad iedereen wel op de
grond vallen!
Het is vakantietijd. Horen we de Sjofar?! Niet alleen elke zondag, maar
Zijn Woord is er en Hij heeft beloofd, daar te zullen zijn, waar mensen Zijn
Woord openen.
Wat een wonder! Ga je mee roepen, met al de Zijnen? Misschien lig je of ligt
u wel plat op de grond: De Heere is Heilig! En toch… die toon zal de hele
aarde in beweging brengen, want de Hogepriester pleit, bij Zijn Vader… voor
u, voor mij!
Misschien ontmoet u wel mensen, bijzondere mensen, andere mensen,
zetten we dan ook de “sjofar” aan de mond?! Vreemde ontmoetingen in de
zomer… Maar het zijn wel schepselen van God én: ze (we) hebben dezelfde
Hogepriester nodig, opdat Hij ook hun namen (mijn naam) schrijft in het
boek van het Leven, van het Lam.
Misschien wel een vreemde meditatie… over een Bijzondere Hogepriester,
sla Zijn Woord er maar op na en bovenal: Roep om Zijn genade!
Een hele goede zomer toegebeden!
Ds. G. H. Vlijm
direct verwachten: De Heere Zelf! Hij noteert de namen van al de Zijnen,
maar wat zien we tot onze verbazing?! Hij schrijft niet alleen Hebreeuwse
namen, maar ook Arabische! Wat naast Rachab en Babel schrijft Hij ook de
namen van de Palestijnen, die Hem liefhebben, die in Sion wonen!
Dat is wat?! De mensen die je steeds dwarszitten, de mensen die de publieke
opinie zo geweldig weten te manipuleren, de mensen, waarvan je denkt: wat
zondigen zij vaak openlijk tegen de Heere en tegen Zijn volk… God schrijft
toch de Zijnen op!
Maar daar stopt het niet mee, Hij schrijft nog meer namen, van mensen
die veelal in de zeevaart zitten: Tyriërs. We zouden naar onszelf kunnen
kijken. Transporteurs, over het water, zo stonden veel Nederlanders bekend.
Mensen die soms zo ruig zijn, zo onbehouwen… God schrijft de Zijnen op!
Maar ook nu is de lijst nog niet compleet, ook de Moren nog, uit Ethiopië,
mensen die er heel anders uitzien met hun zwarte lichaamskleur. Mensen
waar je misschien niet zoveel mee hebt, mensen die je niet kunt inschatten,
maar God schrijft de Zijnen op!
Dus er worden vijanden, aartsvijanden van Israël in genoemd, mensen die
totaal anders doen en mensen die heel anders zijn!
Dat lijkt wel behoorlijk rommelig daar in de poort, maar niets in minder waar: de
Heere Zelf ordent. Hij zegt: heerlijke dingen worden van u gezegd! Waaraan
mogen we dan denken? Eenmaal per jaar, zeggen de Joodse uitleggers, op
Yom Kippoer, Grote Verzoendag, valt de hogepriester neer voor de ark, als hij
de naam van de Heere heeft uitgesproken. (Iets wat Joden nooit doen: Gods
Naam uitspreken. God wordt bij hen: G’d.)
Als de Priesters in het heilige dat zien, vallen zij ook neer. Dat zien de Levieten
op het tempelplein weer en ook zij vallen op de grond, samen met het hele
volk, behalve de Levieten die de sjofar, de ramshoorn blazen. Zij zetten het
instrument aan hun mond, zodat de hele stad het kan horen, ja, de hele
omgeving: de hogepriester heeft de Naam uitgesproken!
En er geschiedde haastiglijk uit de hemel een geluid, gelijk als van een geweldige, gedreven wind en vervulde het gehele huis, waar zij zaten… Wat zullen wij doen, mannen broeders. (Handelingen 2: 2 en 2: 37)
Op deze 50-ste dag dus kwam de Heilige Geest neer op allen, zoals de Heiland het hun beloofd had. De discipelen hadden nu tien dagen lang verlangend uitgekeken naar de belofte des Heeren en nu was het daar opeens, op Gods tijd. En als het op Zijn tijd is, dan komt Hij snel! Daar gingen de sluizen van het hart van God open en een stroom kwam met macht neer van de troon der genade. Hoe overvloedig werd daar het profetisch gebed van de kerk des Heeren verhoord: “Sta op Noordenwind en kom Zuidenwind en doorwaai mijn hof, opdat zijn specerijen uitvloeien.” En waar deze stroom zich neerliet, werd alles opeens vol, wat tevoren arm en leeg was. Hij omstuwde de discipelen, die daar pas nog leeg bij elkaar zaten. Hij bekleedde hen van alle kanten en met gedeelde vlammentongen. Vurig vanwege de spoed der liefde, waarmee Hij gekomen was, zette Zich de Geest op een ieder van hen en zij werden allen vervuld met de Heilige Geest.
Was de torenbouw van Babel teniet gemaakt door de storing van de spraakverwarring, hier waren de boden des vredes ineens bekwaam gemaakt, om aan een ieder afzonderlijk in zijn eigen taal te verkondigen, wat God gedaan had en hoe Hij het fundament en de hoeksteen der zaligheid gelegd had, om Zijn Sion weer op te richten, zodat alle volken daar aandeel aan hetzelfde erfdeel zouden verkrijgen. En daarbij ging het dan toe, zoals het zijn zou: Zij predikten naar dat de Geest het hen gaf uit te spreken.
Deze prediking bleef niet zonder vrucht, daar staat de Heere Zelf voor in. Want hoort: “Wat zullen wij dan doen, mannen broeders!” Wat moeten wij dan doen?
Wij – doen? Nu dan: Doen! Wat voor zonde u/jij ook hebt, oude of nieuwe, kleine of grote, herstelbare of hardnekkige zonde, die met alle boetedoening, tranen, zuchten en wat niet al, zich niet laten uitdrijven, vergeeflijke of onvergeeflijke, vreselijke, gruwelijke, algemene of bijzondere, die een ander niet zo kennen zal, te voorschijn met dit alles! Wat vrucht brengt het u/jou dat u/jij zo dor bent, als de gebarsten akker in de zomerhitte? Wat levert het op om maar voort te leven, innerlijk tot op het gebeente uitgemergeld, zodat er geen merg in uw/jouw leden is?
Wat hebt u/heb je eraan te zweven tussen leven en dood en valse geruststelling, waarmee het normale verstand zich niet laat bevredigen? De Geest is er en Deze roept en waarschuwt: Zo gaat het toch niet! Te voorschijn en weg met al die pleisters, waarmee een mens de zonde bedekt.
Daarboven leeft een God, Die met Goddelijke ogen ziet en voor Hem is niets bedekt noch verborgen, maar Hij beschouwt ons tot op het naakte gebeente, tot op de bodem van ons hart. Hij kent ons. Hij kent ons van alle eeuwigheid af aan. Hij kent ons van toen wij bereid werden in de moederschoot. Bekennen wij voor Hem dan, wat we zijn. Niets verborgen, niets verzwegen voor Hem, niets voor ons achtergehouden en dan vernemen wat Hij gedaan heeft en wat Hij doet: Geleden, gestorven, betaald voor zulken, die Hij zal zaligen!
Al nam ik van de dageraad
de vleugelen des lichts te baat,
al waar’aan ‘t uiterste der zee
de plaats van mijne legerstee,
daar zoud’ook Uwe hand mij leiden,
Uw rechterhand niet van mij scheiden
(ps. 139: 5)
dr. H.F. Kohlbrugge

“En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God”
Openbaring 20: 12a
Johannes op Patmos mocht het zien. Hij was verbannen omdat hij over de naam van zijn Liefste sprak, de Enige naam onder de hemel door welke
wij moeten zalig worden. Dat gaat klemmen als je die Enige naam nog niet kent. Hij zag ze staan, de doden. Klein en groot. Voor God.
Vanochtend werd ik opgeschrikt door een telefoontje uit Veenendaal: Ds. Van Vreeswijk is overleden. Een man die een bijzondere plaats in mijn leven heeft
(gehad). God heeft hem willen gebruiken in Zijn dienst en nadat hij al eerder was aangetast door een gezwel en daarvan hersteld is, begon opnieuw een
gezwel te groeien, maar nu in zijn hoofd. Een behandeling was uitgesloten. Ook hij is daar, bij God.Straks zullen alle lichamen aan de zielen verbonden worden en dan zullen we
voor de grote, witte troon staan.Groot en klein. Voor God.Jaagt het u angst aan? Ben je er bang voor? Als er één zekerheid is op aarde, is dit het wel: je zult voor God verschijnen.
Johannes mocht het zien. In het begin van Openbaring 20 wordt gesproken over de zielen, die met Christus een millennium mogen heersen, als de satan
gebonden zal zijn.Deze getallen moeten we niet verabsoluteren, dus niet al te letterlijk nemen om zo een periode aan te geven of het begin of einde proberen te traceren.
Ik geloof dat we dan met dingen bezig zijn, die te groot zijn voor ons kleine verstand. Er zijn nu eenmaal diepten en hoogten in het Woord van God, wat
we nu nog niet (helemaal) kunnen begrijpen. Straks, als ons hart de laatste keer gepompt heeft en als we -wat een wonder, mag het ook voor u gelden?-
de Heere Jezus als onze Verlosser mogen kennen, dan zullen we het gaan begrijpen.Nee, geen troostprijs, maar God is zoveel groter dan wij en toch laat Hij ons
iets zien van Zijn plan met ons. Heilige grond, dat zeker!Johannes ziet de Rechter zitten op een grote troon. Er staat maar één troon,
de grote troon, wat aangeeft hoe groots de heerschappij is van God! De laatste dag van de wereldgeschiedenis is aangebroken. De Rechter spreekt
het laatste woord.Als God verschijnt heeft dat gevolgen voor de hele wereld, voor de hele natuur. De aarde en de hemel vluchten weg, ze vergaan. Dan komt de nieuwe
hemel en de nieuwe aarde (Op. 21: 1). Het enige punt wat vast blijft is: de troon van God. En voor de troon staan: de doden, groot en klein.
Realiseren we ons weleens waar we nu naartoe leven? Vooral op een moment als iemand ons ontvalt, dan voelen we het. De wereld gaat voorbij…
Ze staan daar, wij staan daar straks –en misschien wel spoedig! Dan gaan de boeken open, waarin alles staat wat we hebben gedaan. Al onze werken,
ofwel, alles wat we hebben gedaan in het leven. Dan gaat de beoordeling beginnen, op rechtvaardige wijze, want de troon is niet voor niets wit! En
dan: de boeken (meervoud) worden geopend. Het boek van al onze werken en het boek des Levens. Iedereen ontvangt hierdoor de vrucht van eigen
werken, of van de werken die ons toegerekend zijn…! Een troost, als je op aarde je zo moedeloos voelt, zo zonder doel, dat de
Heere zegt: je naam is bekend bij Mij! Wat een troost als je dát mag weten! Daar valt alles bij in het niet. Mijn naam in het register van de burgerlijke
stand van het hemelse Jeruzalem. En hoe kan dat dan? Dan mag je en moet je nu de Heere bidden om Hemzelf. Te eenvoudig of juist te moeilijk of onvoldoende belicht?! Wilt u of wil jij dan
wel écht behouden worden? Roep dan uit naar Hem en vertel alles, ook dat je bang bent voor die grote, witte troon. Dat je eigenlijke veel liever doet wat
je zelf wilt, dat je eigenlijk de Heere niet nodig hebt. Vertel het Hem! Dan wil Hij je soms iets laten zien van Wie Hij is, en als je dat mag zien, dan
mag je verlangen om altijd bij Hem te zijn, al trekt het leven hier nog zo sterk aan je. Johannes zag ze staan, de kleinen en de groten, dus ALLEN, ook die nu nog
leven! Hij heeft mij zien staan en u en jou, toen al! Niemand is te jong of te oud, niemand is te laag of te hoog, niemand is te arm of te rijk. Aan deze
rechtbank is geen onttrekking mogelijk. Misschien dat u ze af en toe ook ziet staan, als u de kerk uitloopt… al de graven, met al die namen op de stenen… ze roepen u toe: waar sta je? Het
is voor hen beslist. Ds. Van Vreeswijk mag daar staan, in de menigte die God de eer toebrengt! Nee, niet dat wij mensen kunnen (of mogen) beoordelen, maar we hoeven ook
niet te zwijgen van de hoop die er is! Dat zou Gods Grote Naam tekort doen. U voelt het, toch?! Dit is de eigenlijke vraag in ons leven. Wat is mijn toekomst,
heb ik toekomst! Ze staan er, de doden, groot en klein, voor God. Allen die een verbond met de dood hebben en een voorzichtig verdrag met de
hel zullen met de helse bondgenoten worden veroordeeld, want ze hebben een hekel aan het Licht der wereld. Dat is de reden dat ze voor eeuwig in de
duisternis zullen moeten blijven. Wat een wonder als we nu al mogen gaan zingen: God des levens, ach, wanneer zal ik naderen voor Uw ogen, in Uw huis Uw naam verhogen!
Dan mogen we straks doorzingen, samen met al de Zijnen: Halleluja – tot in eeuwigheid!
GHV.
Ik wil afsluiten deze week met een meditatie van dominee Mensink. Fijne aandacht. En een fijne zondag Liefs van hier Klaske
‘Wij hebben u op de fluit gespeeld…’ – Mattheüs 11 : 17
Het lijkt zo’n onschuldig voorbeeld, een voorbeeld met een glimlach: kinderen die bruiloftje spelen, maar de anderen doen niet vrolijk mee. En kinderen die begrafenisje spelen, maar de anderen doen niet verdrietig mee.
Intussen is het één van de scherpste gelijkenissen van Jezus. Eén van de meest aanklagende spiegels die Hij ons voorhoudt. Want het is een vergelijking voor ‘dit geslacht’, de mensen aan wie het Woord verkondigd wordt. Dat zijn ook u, jij en ik.
In eerste instantie lijkt de gelijkenis te zeggen, dat de mensen onverschillig zijn gebleven onder de prediking van zowel Johannes de Doper als van de Heere Jezus. Johannes sloeg in zijn prediking de tonen van boete en bekering aan. Maar met name de Farizeeën bekeerden zich niet: zij hebben niet geweend. En toen Jezus kwam met de vreugdevolle prediking van het Koninkrijk der hemelen, toen hebben zij niet van vreugde gedanst.
We zijn geneigd de gelijkenis zo uit te leggen, omdat het zo herkenbaar is: wie laat zich door de prediking bewegen tot bekering en geloof? Bij wie vindt de prediking van wet en evangelie zodanige weerklank dat er geweend wordt over de zonden en gejuicht wordt om Christus? Hoe vaak worden we door de hel niet verschrikt en door de hemel niet verkwikt? Schrikt u ook wel eens van (uw eigen) onverschilligheid en onbewogenheid, wélke prediking ook over u uitgeroepen wordt? Of lijdt u er aan? Zeker, preken is een verantwoordelijk werk – horen is even verantwoordelijk werk.
Toch lezen we de gelijkenis dan toch niet helemaal goed. Want wie vergelijkt Jezus met de kinderen die op de fluit gespeeld hebben zodat anderen zouden dansen? En wie is degene die klaagliederen zingt, zodat anderen meehuilen? Dat zijn Johannes en Jezus niet, maar het zijn de scharen die door de Farizeeën en schriftgeleerden aangevoerd worden. We kennen de uitdrukking ‘naar iemands pijpen dansen’. Toen Johannes de bekering kwam profeteren, wilden de scharen dat hij een veel blijmoederiger prediking kwam brengen. Geen begrafenis-sfeer, maar een bruiloftsgast. Maar Johannes speelde het bruiloftje niet mee, integendeel: hij was in de rouw en preekte over een bijl aan de wortel van de boom. En wat zeiden de mensen (vers 18): hij heeft de duivel. In onze dagen zou van hem gezegd worden: hij is gek. De mensen hebben op de fluit gespeeld, maar Johannes heeft niet gedanst.
Toen kwam de Heere Jezus na hem. Hij kwam wél op de feesten (Kana), Hij at en dronk bij feestmaaltijden (Simon). Maar wat zeiden ze van Hém: Hij is een vraat en wijnzuiper. De mensen hebben geweend, maar Jezus zong hun klaagliederen niet mee. Hij deed precies het tegenovergestelde.
Met andere woorden: Johannes was hen te somber, en Jezus was hen te positief.
De wet was hen te eng, en het evangelie was hen te ruim! ‘Je doet het voor de mensen toch nooit goed’, hadden Johannes en Jezus ervaren. Er is een slag hoorders die het altijd beter weten. Maar die zich nog nooit door het Woord klem hebben laten zetten. Die altijd uitvluchten weten. Bij Johannes zeiden ze: ‘ja, maar…’- en bij Jezus zeiden ze het ook.
Bent u zoiemand? Of jij? Die de boodschap van de prediking altijd weet te parkeren op een vluchtstrook? Maar intussen nooit gevallen bent voor het Woord in zijn ontdekkende kracht, én in zijn reddend evangelie? Nooit ‘amen’ leren zeggen op de prediking van zonde en genade, uw ondergang en uw redding?
Voor zulken heeft Jezus maar één woord over: wee u (vers 20). Waar het één niet is, kan het ander ook niet zijn. Waar geen leedwezen over de zonde is, daar kan ook geen hartelijke vreugde in God door Christus zijn. Dan is er dus niets. Alleen duisternis.
De Heere Jezus zegt er wel iets bij (vers 19): de waarheid en de goddelijke wijsheid van het Woord wordt zichtbaar en bevestigd in haar kinderen. Dat is: in de ware gelovigen. Dat het Woord mensen onverschillig laat, is geen bewijs dat het Woord niet waar is! Let er daarom op, bij wie dat Woord wél uitwerking heeft. Want je herkent het, daar waar iemand door het Woord tot droefheid en tot vreugde gebracht wordt, als een echo op de verkondiging van wet en evangelie. ‘De tegenstand van de schriftgeleerden zal niet verhinderen dat al Gods uitverkorenen in het geloof in het evangelie volharden zullen’(Calvijn). Jezus zal later zeggen: Mijn schapen kennen Mijn stem, en volgen Mij.
Wat is het nodig dat we biddend onder de verkondiging van het Woord komen. Biddend om de overgave aan het Woord. Biddend dat we al onze verdedigingswapens zullen verliezen. Dan heeft de prediking van wet en evangelie die dubbele uitwerking: de verootmoediging onder al het kwaad dat wij bedreven, maar ook die hartelijke blijdschap vanwege het reddende evangelie. Hoogte en diepte in het geestelijke leven van onszelf en van de gemeente. Niet voor niets bidden we met de Morgenzang: Schenk Uwen zegen bij Uw Woord. Bid u het mee?
AJM
Psalm 123: 1b: “Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemel zit.”
We staan inmiddels aan het begin van een nieuw jaar. 2010 is begonnen. Wat bijzonder dat we dan samen als eerste niet hard aan het werk hoeven te gaan, maar dat we samen in het huis van Hem mogen bidden om Zijn zegen. Wat vraagt Hij daarin echter wel van ons? Om op te zien naar Boven!
Nee, ze zouden het nooit meer vergeten. Hun dominee was er vandoor gegaan… met een andere vrouw. U vraagt: welke gemeente?! Onlangs vernam ik dat er binnen de rechterzijde van de Hervormde gemeenten wel zeven predikanten geschorst zijn in niet al te lange tijd vanwege deze problematiek! Wat ik noem, speelde al lang geleden, ver van hier. Ze waren geschrokken. Velen hadden hun mening al klaar, anderen zwegen, maar dachten des te meer. Er waren er die vooral baden… maar hun aantal vormde niet de meerderheid. Toen kwam, op de eerste zondag nadat die zwarte bladzijde was geschreven, de gastvoorganger de kansel op. De eerste psalm die hij opgaf was: Psalm 123
vers 1 en 2. “Ik hef tot U, Die in de hemel zit, mijn ogen op en bid”. Indrukwekkende woorden. Woorden om nooit meer te vergeten. Wat kun je je dan afhankelijk voelen. Juist in de zorgen en noden die er zijn. Wat kunnen het soms ook goede tijden zijn, in die afhankelijkheid. In de grootste smarten, blijven onze harten in de Heer’ gerust!
Jawel, soms wil de Heere die momenten gebruiken om je weer te leren zingen. Dan is Psalm 42 niet een onbekende psalm. ‘k Zal Zijn lof zelfs in de nacht zingen, daar ik Hem verwacht! Een nacht… in Psalm 123 ook? In ieder geval een donkere tijd. Vele verdrukkers zijn opgestaan tegen Israël, ze halen hun schouders op over dit kleine volkje. Moet je ze horen over hun “almachtige God”, je merkt niets van die God…
Crisismomenten… dan zou je het liefst geleid worden. Dan zou je die ondersteunende hand zo graag ervaren. Dan zou je zo graag weten dat je een Helper hebt, toch?! Wat zegt deze zanger nu? Ik kijk omhoog!
Op het moment dat ik deze meditatie schrijf, sneeuwt het. Straks zal ik nog over de wegen gaan, in sommige ogen zelfs verre wegen. Dan kun je maar beter niet omhoog kijken, want dan krijg je sneeuw in de ogen en zie je niets meer… of… We gaan mee met de zanger. Hij kijkt, jawel, maar hij doet nog meer. Hij bedelt! Geen sneeuw in de ogen? Dat zou kunnen, maar hij pleit op Gods beloften! Dat kan zelfs met sneeuw in de ogen! Zullen we het met deze dichter mee gaan doen? Mee gaan pleiten op het eigen Woord van God?! Dan hebben we geen zandgrond als bodem. Dan hebben we vastheid. U zegt: vastheid? Was dat maar waar! Ze smeken en ze bedelen en de hemel lijkt wel potdicht te zijn!
Zullen we niet maar stoppen met bidden? Israëls God laat toch niet van Zich horen! Misschien dat je meer geluk hebt met die goden van de omliggende volken…
En dan… opnieuw: Wees ons genadig, Heere! Het gebed blijft doorgaan.
Ds. V.
We zien het voor ons geschilderd: de dienstmeid die in een minderwaardige positie verkeert en dan opziet naar haar “vrouwe”. Zou het kunnen dat mijn heer of vrouw mij toch wil horen, ondanks mijn “lage staat”? Kijk, dat is nu pleiten op Gods beloften! Dát is afzien van je eigen ideeën of plannen en opzien naar de Heere: ik heb niets verdiend, maar U wilt het toch geven, dat zijn toch Uw Eigen Woorden?! “Wie klopt, die zal worden opengedaan…” Als je zo mag kloppen, als u zo de Heere mag smeken, dan mogen we elkaar garanderen -met onze hand op Zijn Woord- het zal gebeuren! Hij ziet ons niet? U bedoelt: Hij ziet mijn gekozen weg niet! Dan heeft u gelijk, maar laat u nooit influisteren dat de Heere niet om u geeft! In Bethlehem en op Golgotha zien we namelijk dat het tegendeel waar is! …IK voor u… Kijk dan maar, met of zonder sneeuw -of wat dan ook- in uw ogen: Ik hef tot U -Die in de hemel zit- mijn ogen op en… bid. Totdat Hij ons genadig zij!
Nog een paar dagen en dan mogen we Kerst vieren. Groot en klein het maakt niet uit. Wat Kerst betekent heb ik vorig jaar al uitgelegd. We gedenken dat de Heere Jezus is gekomen voor alle mensen op deze aarde. Maar ook gestorven is voor al onze zonden. En ook is opgestaan uit de doden. Ik wil graag afsluiten met een meditatie van Ds. A.J. Mensink. Een goede aandacht en alvast gezegende Kerstdagen voor iedereen. Klaske. O ja na de meditatie opnieuw sneeuwfoto’s!!
‘Eer het besluit bare’ – Zefanja 2:2a
Zefanja lijkt niet bepaald een adventsprofeet te zijn. Zijn prediking is somber en dreigend, gestempeld door het klemmende thema van de Dag des Heeren. Ook het eigen verbondsvolk ontkomt niet aan de striemende kritiek van het Woord van God. In hoofdstuk 1 worden stuk voor stuk zonden aangewezen: bijgeloof, afgoderij, ongerechtigheid, valse rust en zelfverrijking. De oprechte gelovigen moet Zefanja (letterlijk!) met een lampje zoeken – niet voor niets wordt hij in de kunst afgebeeld als de man met de lantaarn. Het doet denken aan het woord van Christus: als de Zoon des mensen komen zal, zal Hij dan geloof vinden op aarde?
In vlammende woorden herinnert Zefanja het volk eraan dat de dag des Heeren aanstaande is. Dat is de grote oordeelsdag waarop God alles in het gericht zal brengen, ja, ook Zijn eigen verbondsvolk. Eeuwen later zal de apostel Johannes deze profetieën in het boek Openbaring uitvoeriger beschrijven. En de kerk belijdt te geloven in Hem Die zal wederkomen om te oordelen de levenden en de doden. Op een oudejaarsavond worden we daar nog wat sterker bij bepaald. Aan alles komt een eind, ook aan de tijd. Ook aan ónze tijd. Maar we zullen van onze tijd wel verantwoording moeten afleggen. Hoe hebben we onze tijd besteed? Uitgekocht of verknoeid? En het moment waarop we die verantwoording moeten geven, kan dichterbij zijn dan wij denken.
Zefanja dringt daarom aan op spoedige zelfbeproeving en bekering. God heeft een besluit genomen om ten gerichte te verschijnen, en voordat dat dat besluit baren zal (= ten uitvoer gebracht zal worden), is er nog tijd tot inkeer en bekering. En dat tijdstip, dat weten wij niet. Net zo min als iemand het barensuur van een zwangere vrouw kan voorzeggen.
Zefanja toont ons hier, dat God de tijd laat (ver)lopen langs de lijn van Zijn besluiten. Ook het Nieuwe Testament belijdt dat, bijvoorbeeld in Romeinen 8: de schepping zucht, als in barensnood zijnde. God heeft voor ieder mens, maar ook voor Zijn volk en voor Zijn schepping tijden gesteld. En die zijn alleen Hem bekend.
Met de woorden van een adventslied zou de profeet het volk ertoe bewogen kunnen hebben: hoe zult gij Hem ontvangen, hoe wil Hij zijn ontmoet? Wie met die vraag ernst maakt, weet dát wij Hem niet kunnen ontvangen. Dát wij aan Zijn toorn en oordeel onderworpen zijn, en geen behoud of redding verdiend hebben. Op z’n minst zou het volk boetvaardigheid en berouw kunnen tonen. De Heere verwachten met een verbroken hart en een verslagen geest.
Heeft Zefanja ook van een ander besluit geweten? Eer de grote en doorluchtige dag des Heeren komt en het besluit van Zijn grote komst baren zal, zal in de volheid van de tijd een ander besluit baren. Zal, naar Zijn genadig besluit, een maagd een Zoon baren. En ze zal Zijn Naam niet ‘Oordeler en Wreker’ noemen, maar: JEZUS, Zaligmaker. Wat een geweldig groot wonder! Want Zefanja roept de mensen wel op, zichzelf nauw te doorzoeken – maar wat vindt een mens die zichzelf eerlijk doorzoekt? Die vindt slechts schuld en dood. Of u niet? Wat vinden we nou in onszelf, om God mee onder ogen te komen? Niets toch! Het zweet kan je wel eens uitbreken, dat je bij het klimmen der jaren nog geen spaan gerechtigheid bij jezelf hebt kunnen vinden, en dat je bij de Heere altijd en volkomen tekort schiet. En de tijd dringt: de lééftijd, de genádetijd…terwijl de barensweeën sterker en sterker worden…Hij komt, Hij komt om de aarde te richten….Heere, hoe kan ik ooit voor U verschijnen?!
Eer het besluit bare, is een ander besluit tot werkelijkheid gebracht: Mijn Zoon, Ik zend U tot verloren schapen en zondaars. Om te redden wat verloren is. Om te zoeken, nauwkeurig te zoeken, om met de lantaarn van het evangelie te zoeken wie Hij zou kunnen behouden! Zo zocht Hij u en jou en mij, dit afgelopen jaar. Omdat Hij niet wil dat enigen verloren gaan. Liet u zich vinden? Verstopte u zich voor het zoeklicht van de hoogste Profeet? Laat u het erop aankomen? Zal het zo’n vaart allemaal niet lopen?
Als het wel mee zou vallen, was Christus echt niet de diepe weg van kruis en dood gegaan. Als het er met u en mij niet zó slecht voorstond, had Hij echt de hemel niet verlaten om zo’n weg van vernedering en spot te gaan. Dát Hij het deed, toont ons onze volkomen ellende.
Het toont ons ook Zijn zoekende en reddende liefde.
Zoek het dan in Hem! U die bij uzelf niets meer vinden kan, al wat u ontbreekt is in Hem volkomen. En wie door het geloof op Christus hopen mag, heeft en is in Hem alles! En als dan de grote dag aanbreekt, en het besluit van Zijn wederkomst baren zal, dan mag een ieder die van Christus is, met reikhalzend verlangen uitzien naar de komst van de grote Koning. Na de strijd de overwinning. Na de aanvechtingen de rust. Wie het Kerstfeest leert vieren in het licht van de wederkomst, die begint iets te proeven van het grote geschenk dat God in de nacht van Bethlehem aan deze wereld schonk. Zo dankbaar als we terugzien op Zijn eerste komst, zo verlangend zijn we dan naar Zijn tweede komst! Maranatha!
AJM
Ee
Oostrum
De tibben
Keatlingwier
Iets verderop
Driezum
Deze ontvangt hoeren…en eet met hen’
De woorden boven de meditatie staan niet letterlijk in de Bijbel, maar ongetwijfeld hebben deze woorden geleefd in het hart van vrome Joodse leidslieden in de dagen dat de Heere Jezus op aarde was. Wat hebben ze Hem erop aangekeken en Hem erom veracht, dat Hij niet kwam bij de aanzienlijke, hooggeëerde en (wel)eerwaarde vromen – het feit dat Jezus Zich begaf tot hoeren en tollenaren en alle anderen die ergerlijk leven leiden, was voor hen een reden om nooit te willen geloven dat deze de Messias was.
Als één soort mensen in de Bijbel in een kwaad licht staat, zijn het de hoeren wel. Eén van de meest terugkerende waarschuwingen in de Bijbel is die tegen hoeren en verleidende vrouwen. In het Nieuwe Testament is hoererij een volkszonde waartegen de gemeente van Christus zich wapenen moet. In het Oude Testament lezen we o.a. in Spreuken 7 een aangrijpende weergave van een tafereel waarin een vrouw op de dorpel van haar huis een niets vermoedende man verleidt en inpalmt. Deze man laat zich, zo schrijft Salomo daar in vers 22, als een os naar de slachtbank leiden.
Ik moest aan die woorden uit Spreuken 7 denken toen ik recent een stadswandeling in Amsterdam maakte. Met mijn reisgenoot wilde ik de Oude Kerk bezoeken, en tja, dan moet je door de rosse buurt. Waar onder een gevelsteen met de indrukwekkende woorden ‘God is mijn burcht’ een erotisch museum gevestigd is. Waar rondom de Oude Kerk talloze ramen met publieke vrouwen gevuld zijn, en waar je van ontzetting haast niet weet waar je kijken moet. Waar zelfs de meest schaars geklede vrouwen in de deuropening staan en waar je ze zo kunt aanraken. Dominee toch…. Ja: schokkend! Niet alleen omdat je uit goed fatsoen het hele verschijnsel van hoererij en prostitutie verwerpt, maar vooral omdat je je afvraagt wat voor leven zulke mensen hebben. Wat brengt hen ertoe? En wat zijn het voor mensen die bij deze vrouwen hun ‘heil’ zoeken? Van harte hoop en bid ik dat het werk van het Scharlaken Koord in Amsterdam ook door de gemeenteraad daar gedragen zal blijven worden, en vooral ook gestimuleerd. Maar wat zou de Heere Jezus gedacht hebben, als Hij door deze rosse buurt liep? Zou Hij niet met innerlijke ontferming bewogen worden, omdat Hij de harten kent als harten van één grote gapende leegte, als een uitgedroogd land zonder levend water?
Diezelfde leegte kan ook onder ons voorkomen. De vrouwen die in Amsterdam achter het raam zitten, kunnen thuis in het raam van onze monitor zitten. Of weet u zeker dat ze uw huis niet binnen kunnen komen? Er is een duizelingwekkend grote massa jongeren en ouderen die zich digitaal vergaapt aan internetsex – maar het hart blijft onbevredigd (zo luidt de titel van een boekje van W. Trobisch). Afgezien van het feit dat we zo de duisternis in ons eigen hart alleen maar verstikkender maken, houden wij het afschuwelijke leven van prostituees in stand. Het kan de zegen van de Heere werkelijk niet dragen – integendeel.
De Heere heeft met liefde en lichaam iets heel anders bedoeld. Niet de verwording ervan, zoals die door het ingeven van de duivel gepresenteerd wordt. En is de Zoon niet op aarde gekomen om zondaren te bevrijden uit de boze banden die hen binden, ook als dat déze banden zijn? Om hoeren én hun bezoekers te bevrijden uit de slavernij van de zonde? En hen te brengen tot de ware geestelijke vrijheid, de vrijheid van de kinderen Gods? Waar wij ons zo makkelijk als een os naar de slachtbank laten leiden, daar liet Hij Zich als Lam ter slachting leiden. Als Vriend van hoeren en tollenaren. En Zijn dood betekent de breuk met de zonde, en de opening naar een leven in liefdevolle toewijding aan de Heere. Zodat zelfs een hoer en een hoerenloper nog zalig kunnen worden!
Dat kun je in Amsterdam zo mooi zien. Die hoeren rond de Oude Kerk hoeven het straatje maar over te steken. De mannen die hen bezoeken, hoeven alleen maar een andere deur binnen te gaan. Als een wereld van verschil. Wie komt tot Christus, moet én mag zijn oude leven verliezen als een leven dat geen verzadiging en vrede kende. De overgave aan Christus is zo’n heerlijke bevrijding van duisternis en machten, hoeveel strijd er soms ook blijven kan. Daarom moet er in de stad een kerk blijven. En hebben wij in onze ‘veilige’ dorpen voor de kerk in de stad te bidden. Zoals Abraham bad voor Sodom en Gomorra. Zoals Jona werd gezonden naar Ninevé. Het raakte me, daar midden in die wereldstad Amsterdam: wat zou de boodschap van de kerk in deze stad moeten zijn? Deze: dat de Heere onvoorwaardelijk aanneemt wie tot Hem gevlucht komt. Dat Hij goddelozen rechtvaardigt om niet, door het geloof in Jezus Christus, hoe duister en verwerpelijk hun leven ook was.
Eigenlijk maakte me dat heel blij, midden in die stad: de Heere leeft en is bewogen over het heil van Zijn verloren schepselen. Vreemd: dan raakt het ook mij en u. Hij heeft héél de wereld liefgehad, in Driesum niet meer of minder dan in Amsterdam. Wat een wonderlijke belevenis als je mag gaan beseffen, het voorwerp van die liefde te zijn. Een heerlijker Naam hadden ze onze Heiland dan toch niet kunnen geven: Vriend van zondaren!
Mag u dáár van leven?
A.J.M.

